Een defect poets je niet weg

Regelmatig ontstaat in de bouw en (proces)industrie discussie over de levensduur van verfsystemen op metalen elementen. Bij schades en claims concentreert zich dat veelal op het al dan niet reinigen van het systeem en de frequentie ervan. Oftewel, gebruikers of beheerders schieten tekort. Maar volgens de opstellers van dit opiniestuk zit het vaak anders, en verbergen leveranciers zich achter reinigingsvoorschriften.

P. van der Spoel en E. Huijsmans

Peter van der Spoel en Erwin Huijsmans zijn beiden senior adviseur bij het Centrum voor Onderzoek en Technisch advies (COT) in Haarlem.

Verfleveranciers en applicateurs melden steevast dat de levensduur van een oppervlaktebehandeling negatief wordt beïnvloed door vuil en vocht, inwerking van zuren, zouten en andere agressieve stoffen. Voorschriften met reinigingsmethodes/-frequenties en voorwaarden moeten vervolgens leiden tot adequaat functioneren van de coating.

Voor een onafhankelijk oordeel krijgt COT vanuit verschillende hoeken, zoals van beheerders, eigenaren, leveranciers enzovoort, opdracht om klachten bij metalen die zijn behandeld met een beschermsysteem van bijvoorbeeld poedercoatings nader te onderzoeken. De eerste klachten worden door poedercoatbedrijven cq. leveranciers namelijk direct en vaak vanuit kantoor afgewimpeld met als reden dat er niet, onvoldoende, onjuist of met verkeerde middelen is gereinigd. De klacht wordt afgewezen en de eindgebruiker zit met de schade, de (schriftelijke) garantie ten spijt.

 

Voorschriften

Alle handleidingen, richtlijnen, informatie-, kenmerken- en productbladen van poedercoatleveranciers/-applicateurs en brancheorganisaties hanteren vrijwel identieke reinigingsvoorschriften met bijbehorende frequenties. Deze reinigingsfrequenties worden beïnvloed door de volgende vuilbelastende factoren.

Omgevingsfactoren

  • Ligging binnen 25 km van de kust (zoutneerslag).
  • Ligging direct boven maaiveld (opspattend vuil).
  • Ligging boven water (condensvorming).
  • Stedelijk gebied (uitstoot verbrandingsgassen).
  • Industriële omgeving (uitstoot chemicaliën, rookgassen, ertsstof).
  • Verkeersbelasting (zwavelverbindingen, stikstofverbindingen, stofdeeltjes van remvoering, ijzer- en koperdeeltjes van railverkeer).
  • Overdekte gebieden (geen beregening).
  • Bevuiling door dieren.

Gebruiksfactoren

  • Moeilijk bereikbaar voor doelmatige reiniging.
  • Intensief gebruik (deuren).

Oriëntatiefactoren

  • Ongunstige ligging op de zon.
  • Weinig beregening.

Wanneer sprake is van één of meer vuilbelastende factoren spreek men van een verhoogde belastingsfactor; in alle andere gevallen van een normale belastingsfactor.

Gezien de ‘gangbaarheid’ van deze storingsfactoren blijft er geen ‘normale’ belastingfactor meer over. Dus moet worden overgegaan op intensief reinigen, grofweg twee tot vier maal per jaar. En dat aantoonbaar. Bij het niet kunnen bewijzen dat er gereinigd is, bijvoorbeeld via facturen, door een erkend (industrieel) schoonmaakbedrijf met ‘geëigende middelen’, dan vervalt automatisch de garantie.

In de praktijk leveren deze voorschriften en alle voorbehouden behalve voldoende voer voor gespreksstof, ook een veel gehanteerd middel om onder zo’n beetje elke verantwoordelijkheid uit te komen. Nota bene: deze reinigingsvoorschriften zijn ooit eind jaren ’80 geadviseerd voor glans- en kleurbehoud van gepoedercoate onderdelen, dus vanuit een motivering van esthetisch behoud. Nu worden ze echter te pas en te onpas gebruikt tegen elke kwalitatieve klacht, zoals onthechting, (filiforme) corrosie, barstvorming en minimale weerstand tegen beschadigen. Eén factor is zo opvallend dat we het extra willen benadrukken: ‘moeilijk bereikbaar voor doelmatige reiniging’. Kortom, moeilijk bereikbaar, reinig vaker.

 

Argumentatie

COT onderzoekt jaarlijks gemiddeld honderd schadegevallen bij metalen objecten met een poedercoating. Ter voorbeeld: een schadegeval waarbij in een gehele woonwijk in korte tijd de balkonhekken van helder blauw naar paars-achtig verkleuren. De coating blijkt bovendien een geringe weerstand te bezitten tegen mechanische beschadigingen. Bij een eenvoudige spottest (meer precies: polymerisation-test met xyleen) conform de Qualicoat-specificaties blijkt de poedercoating volledig te verweken. Een geval waarbij klaarblijkelijk tijdens de curing of de doorharding van de poedercoating iets niet goed is gegaan. Volgens de leverancier is het product geleverd onder Qualicoat-specificatie, en moet voldoen.

Er vindt overleg plaats met diverse projectpartners en deskundigen. Eén van geopperde oorzaken voor het gebrek: ‘niet-reinigen’, zoals te verwachten. Maar plots blijkt dat bij een chemische fabriek in de omgeving een lekkage heeft gehad waardoor de poedercoating is aangetast. Dat is geen sterk argument; als chemicaliën zo snel een coating aantasten, dan is immers sprake van een milieudelict. Bovendien vertoont het leuningwerk in een ‘gesloten’ trappenhuis dezelfde tekortkoming.

Derde argument is dat de spottest niet op locatie mag worden uitgevoerd, maar uitsluitend vlak na applicatie, conform de Qualicoat-eisen. Daarover ontstaat lange discussie, waarna blijkt dat de test na productie niet is uitgevoerd.

Op het moment dat COT niet meer betrokken is bij de verdere afwikkeling, blijkt bij lab-onderzoek achteraf, waarbij een deel van het leuningwerk in een oven bij 180˚C wordt geplaatst, dat deze wel is bestand tegen de spottest maar wederom duidelijk een kwalitatief gebrek bezit. De claim is dan al ‘op alle fronten’ afgewezen vanwege ‘niet-gereinigd’ en ‘fabriekslekkage’. Eerlijkheidshalve moeten we melden dat uiteindelijk de schade ten gunste van de claimende partij uiteindelijk wel is opgelost.

 

Wildgroei

Bovenstaande casus dient slechts ter voorbeeld. Er zijn ook situaties waarbij de poedercoating er ‘vanaf waait’, louter en alleen door een slechte hechting. Maar ook dan valt het onder de noemer ‘onvoldoende reiniging’.

Zelfs arbiters en rechters hebben ‘recht gesproken’ waarbij de beheerder/eindgebruiker zich niet heeft gehouden aan de reinigingsvoorschriften, en waarbij de oorzaak van bijvoorbeeld totale onthechting dus bij klager zelf komt te liggen. Het ‘hogere doel’ reinigt hier blijkbaar de middelen. En deze wildgroei zet door, terwijl met de komst van nieuwe, verbeterde verfproducten het aantal voorwaarden merkwaardig genoeg verder toeneemt.

 

Geen draagvlak voor bewijslast

Door het hoge aantal gevallen van coatingschade met vervuiling als oorzaak heeft het COT in 2016 een uitgebreid onderzoek voorgesteld om zin en onzin van bewijslast te valideren. Want nog steeds is niet onomstotelijk bewezen dat het niet-schoonmaken of -houden van een geconserveerd object de technische levensduur van het verfsysteem zodanig aantast dat de beschermfunctie vroegtijdig faalt. Hoe gedraagt een systeem zich en reageert het op de (lokale) invloeden?

Vermoedens in die richting bleken eerdere ook uit een meerjarige buitenexpositie van twaalf zogeheten Ku(n)stwerken, twee op het Tata-terrein in IJmuiden en tien bij het TNO-terrein in Den Helder[1]. Na zestien jaar ongereinigde dienst vertonen ze, op een enkele na, allemaal gebreken door corrosie die niet is veroorzaakt door vuil(ophoping), maar door andere oorzaken, zoals opzettelijk aangebrachte (oppervlakte)defecten en onjuiste detaillering en aansluitingen.

Het mag duidelijk zijn dat het voorgestelde onafhankelijk onderzoek veel geld kost en zo breed mogelijk gedragen moet worden. Het is veelzeggend dat vrijwel niemand inschreef voor deelname.

 

Koosjer

Reinigingsvoorschriften worden toegepast voor poedercoatings op metalen ondergronden maar we komen ze nu ook al tegen voor gewoon onderhoudsschilderwerk in de vastgoedsector. Dus als de verf op houten kozijnen barst, onthecht, verkleurt, verpoedert, blaart, enzovoort, dan is de oorzaak: het niet reinigen. Kijk maar eens goed naar de ‘algemene garantievoorwaarden’, die met wat omwegen leiden naar de reinigingsvoorschriften.

Om alleen al te voldoen aan de garantievoorwaarden moet de eindgebruiker kosten maken, hoge kosten. Als voorbeeld nemen wij een normaal stijlhekwerk waarbij de reinigingskosten € 2,50 tot € 3,50 per strekkende meter hekwerk kost. Reken dat eens door voor een flatgebouw maal drie keer reinigen per jaar, en dan laten we de bereikbaarheid van de objecten en bijbehorende kosten nog buiten beschouwing.

Ons inziens onthoudt de verfindustrie zich hier van zijn verantwoordelijkheid. En laten we eerlijk zijn, een defect laat zich niet wegpoetsen. Reinigen of niet, in ieder geval zijn veel schadegevallen in de praktijk niet helemaal koosjer. En men wast de handen in onschuld. •

 

[literatuur]

1. ‘Te kust en te keur’, Bouwen met Staal 252 (augustus 2016), p. 48-53.

Een defect poets je niet weg2021-05-27T16:05:41+02:00

Garantie op schilderwerk

Het COT wordt regelmatig geconfronteerd met discussies tussen opdrachtgevers en schildersbedrijven over de teleurstellende staat waarin het schilderwerk (in de staalwereld: de conservering) zich bevind. Voor opdrachtgevers bestaat de teleurstelling dan uit het feit dat het schilderwerk toch (veel) sneller gebreken is gaan vertonen dan op basis van garantie-afspraken werd voorspeld.

Opdrachtgevers zoals particulieren, VvE’s, vastgoedeigenaren e.d. kiezen in veel gevallen voor een stuk zekerheid bij het laten uitvoeren van schilderwerk. Bij het voorspiegelen van fantastische garantieperioden van 8 of zelfs 10 jaar bij het toepassen van bepaalde verfproducten, zijn keuzes dan ook snel gemaakt. Het gebruik van revolutionaire verfproducten zullen de onderhoudstermijnen en kosten immers aanzienlijk gaan drukken. Meerjarenbegrotingen worden enthousiast bijgesteld, in technisch en financieel opzicht gaan we er een stuk op vooruit!

Van waar dan de teleurstellingen en discussies?

Verffabrikanten gaan soms erg ver om hun producten onder de aandacht te brengen. Veranderingen in samenstellingen – of van etiketten – gaan volgens opgave veelal gepaard met nog betere en duurzamere prestaties. Maar is dat ook zo? Het lijkt erop dat verffabrikanten daar toch niet helemaal zeker van zijn. Bij het bestuderen van allerlei omschreven voorwaarden of verwijzingen naar andere voorwaarden blijkt dat die fenomenale levensduur en kwaliteit toch wel heel erg wordt gekoppeld aan allerlei uitgangspunten. Eén van de meest gehanteerde uitgangspunten – en daarmee worden erg veel garantie-aanspraken afgewezen – is het periodiek reinigen van het schilderwerk. Ondanks de ongelofelijk toegenomen kwaliteit van de aangeprezen verfproducten moeten deze wel periodiek worden gereinigd, 3 tot 5 x per jaar. Schade aan het schilderwerk door onvoldoende reiniging valt namelijk niet onder de garantie. Zelfs in geval van schade waarbij de opdrachtgever wel regelmatig heeft gereinigd, worden soms ook het toegepaste reinigingsmiddel en/of het reinigingsbedrijf (is het bedrijf wel gecertificeerd?) ter discussie gesteld. Het 3 tot 5 x jaarlijks reinigen van het schilderwerk – op staal: de conservering – leidt tot verregaande bijkomende kosten. Ook de bereikbaarheid en daarmee gepaard gaande kosten maken deze jaarlijks verplichte reinigingsrituelen niet al te realistisch. Waar is die goede oude tijd (en verf?) dat je verf kon toepassen die niet jaarlijks meerdere malen gereinigd hoefde te worden om de kwaliteit te garanderen?

Als onafhankelijke instantie keurt het COT in het laboratorium onder andere verfproducten. Uit testen is gebleken dat sommige in bouwmarkten verkrijgbare doe-het-zelf producten vergelijkbaar presteren als professionele verfproducten. De kwaliteit en duurzaamheid van het schilderwerk is uiteraard wel afhankelijk van de kwaliteit van het toegepaste verfproduct, maar wordt veel meer bepaald door onder andere de kwaliteit en detaillering van de ondergrond, omgeving- en weersinvloeden, kwaliteit van uitvoering enz. In de “kleine lettertjes” van de  garantievoorwaarden wordt het belang van deze aspecten wel aangehaald maar deze worden blijkbaar alleen erg belangrijk in geval van een schadeclaim.

Opdrachtgevers laten zich soms verblinden en verleiden door gepropagandeerde garantietermijnen en rekenen zich (te) rijk. Teleurstellingen over “garanties tot aan de voordeur” leveren dan de nodige discussies en irritaties op. Er wordt dan uitdrukkelijk gewezen op de in het klein omschreven voorwaarden of verwijzingen, de schilder heeft het toch niet helemaal goed gedaan of had toch beter moeten weten, het project ligt te dicht bij de kust of wordt industrieel belast enz. Door de verfleverancier opgegeven garanties zijn dan ook geen toegevoegde waarden. Met alle weinig realistische voorwaarden en uitsluitingen kunnen vrijwel alle claims makkelijk vanachter een bureau worden afgewezen.

Van schildersbedrijven zouden realistischere garanties verwacht mogen worden. Het schilderwerk op bijvoorbeeld een sterk weersbelaste dakkapel zal nu eenmaal sneller degraderen dan het schilderwerk op een beschut gelegen kozijn. Een vakman weet dat en zou dat ook duidelijk moeten maken, een verfleverancier heeft hij of zij daar niet voor nodig.

Garantie op schilderwerk2021-05-27T16:05:41+02:00

Slechte hechting van verf

Het COT wordt als onafhankelijke partij vaak gevraagd te onderzoeken wat de oorzaak kan zijn van slecht hechtende verfafwerkingen. Slecht hechtende verflagen manifesteren zich bijvoorbeeld als barst- en bladdervorming, buitensporige slijtage (onthechting). Vloercoating- en muurverfsystemen kunnen soms van de ondergrond worden losgetrokken als afstripbaar behang. In veel gevallen komen deze klachten bij het COT terecht in de zeer stellige overtuiging dat de schilder het niet goed heeft gedaan. In sommige gevallen is dat ook het geval. In een groot aantal gevallen komen er toch echt andere oorzaken om de hoek kijken.

Een veel voorkomend probleem is bijvoorbeeld het hechtingsgedrag van muurverf op gepleisterde wanden. Sinds we het behang en granol achter ons hebben gelaten heeft een (spiegel) gladde geschilderde muurafwerking de voorkeur gekregen. De ondergrond moet daartoe gladgepleisterd worden met – in de meeste gevallen – een gipspleister. De samenhang (interne treksterkte) van gipsgebonden pleistermaterialen varieert enorm. Het gladpleisteren gaat daarnaast veelal gepaard met het opnieuw natmaken van nog niet volledig gedroogde pleisterlagen waarna deze door de stukadoor weer één of zelfs meerdere malen worden glad getrokken met de zacht gemaakte gipsbovenlaag (gips slurrie). Een zwak gipspleister, in combinatie met deze opgedroogde gips slurrie op het oppervlak, is desastreus voor de hechting van verdere verfafwerkingen. Veelal wordt er vanuit gegaan dat het toepassen van een voorstrijkmiddel of fixeermiddel wel voldoende zou kunnen zijn om deze onsamenhangende en poederende ondergronden te corrigeren. Het is echter uitgesloten dat op dergelijke ondergronden een voldoende hechtend verfsysteem kan worden aangebracht. Het afwerksysteem – inclusief één of ander voorstrijkmiddel – is niet in staat om het poederende en onsamenhangende oppervlak voldoende te binden. De muurverflaag ligt als het ware los op een onsamenhangende en poederende gipslaag en kan daar makkelijk van worden losgetrokken. Aan de achterzijde van de onthechte verflaag bevindt zich dan een deel van de poederende toplaag.

Voor het voor- en afwerken van diverse ondergronden bestaan veel verschillende soorten verfproducten, gefabriceerd door veel verschillende fabrikanten. Hoe staat het met de overschilderbaarheid van deze producten? We gaan er maar vanuit dat het toepassen van een gerenommeerd verfproduct op bijvoorbeeld een fabrieksmatig aangebracht verfsysteem – uiteraard met de juiste voorbehandelingen – per definitie gaat leiden tot een correcte hechting. Met name fabrieksmatig aangebrachte (grond) verfproducten bestaan er in vele soorten, samenstellingen en kwaliteiten. Het overschilderen van deze ondergronden met gangbare verftypen blijkt niet altijd te leiden tot een goede hechting. Uit onderzoek is gebleken dat sommige combinaties een problematisch hechtingsgedrag vertonen. Het beoordelen van de overschilderbaarheid van verschillende verfproducten maakt helaas geen deel meer uit van testen. Het hechtingsgedrag tussen verschillende verfproducten, fabrikanten en/of ondergronden blijkt daarmee geen zekerheid. Tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers gemaakte prestatieafspraken over bijvoorbeeld de hechting resulteert dan vaak in discussies.

Een belangrijke kwalitatieve eigenschap van een verfproduct is een blijvend goede hechting na het bevochtigen van het oppervlak. Het COT wordt soms gevraagd te beoordelen wat de oorzaak is van opvallende onthechtingsverschijnselen op bijvoorbeeld versteknaden, liggend werk, randen van multiplex boeidelen, rond bevestigingsmaterialen enz. Uit in het COT-laboratorium uitgevoerde testen blijkt dat de hechting van sommige verfproducten dramatisch afneemt na bevochtigen. Op meest vochtbelaste plekken in het werk komt dit slechte hechtingsgedrag dan naar voren als blaren en bladders enz.. Geen gebreken die het gevolg zijn van slecht schilderwerk maar van verfproducten die eigenlijk niet geschikt zijn voor buitentoepassing!

Hechting lakverf op fabrieksmatig aangebrachte grondverf. Droog 6A en 6B en hechting na 1 uur benatten 6C en 6D

Slechte hechting van verf2021-05-27T16:05:42+02:00

Vastgoed onderhoud

Uitdrukkingen voor het onderhouden van vastgoed zijn aan verandering onderhevig. Onderhoudsbeleid gebaseerd op prestatiecontracten, ketenpartners, resultaatgericht vastgoedonderhoud en/of regisserend opdrachtgeverschap staan, naar het zich laat aanzien, voor steeds beter en efficiënter onderhoud met (nog) lagere onderhoudskosten. De ultieme oplossingen voor vastgoedbeheerders in een voortdurende zoektocht naar budgetzekerheid en een gegarandeerde kwaliteit! In grote lijnen komt het erop neer dat samen met een onderhoudsbedrijf eisen en kosten worden afgesproken die gekoppeld worden aan het door de opdrachtgever gewenste kwaliteitsniveau en exploitatieperiode. Het onderhoudsbedrijf legt zich daarmee vast deze kwaliteitseisen te realiseren tegen vooraf overeengekomen kosten voor een langere periode. Het onderhoudsbedrijf krijgt daarbij, binnen gestelde randvoorwaarden, de vrijheid het onderhoudswerk zelf in te richten. Transparantie en vertrouwen is het motto. Wat de naam voor een nieuw onderhoudsbeleid ook mag zijn, opdrachtgevers zoeken naar een betere kwaliteit tegen lagere kosten, mindere risico’s en minder inzet van eigen organisatie. “Met minder mensen meer, beter en voordeliger vastgoed beheren”.

Het COT wordt regelmatig gevraagd om als onafhankelijke partij te beoordelen of doelstellingen – zowel financieel als kwalitatief – zijn of worden gerealiseerd. Uit beoordelingen komt naar voren dat een kwaliteitsverbetering en het terugdringen van kosten niet altijd duidelijk gemaakt kunnen worden. In sommige gevallen blijken onderhoudsbedrijven – geconfronteerd met contractueel vastgelegde afspraken en daaraan verbonden risico’s – veel verder te gaan in hun voorstellen dan technisch gezien strikt noodzakelijk is. Vrij nieuwe woningen krijgen dan bijvoorbeeld te maken – althans volgens voorspellingen van onderhoudsbedrijven – met aanzienlijke kosten voor preventieve maatregelen en saneringswerkzaamheden. Voorheen waren relatief goedkopere éénlaagse afwerkingen (1½ – beurt) de maatstaf voor goed onderhoud. In het kader van het vooruitstrevende onderhoudsbeleid staan soms duurdere tweelaagse afwerkingen (2 ½ -beurt) op het programma. Een duidelijke technische  noodzaak blijkt vaak niet aanwezig, maar gerekend wordt het wel. “Het onderhoudsbedrijf heeft een ander belang dan de opdrachtgever”

Het streven van een opdrachtgever om met minder mensen beter en voordeliger vastgoed te gaan beheren gaat in sommige gevallen gepaard met het verdwijnen van kennis en ervaring binnen de eigen organisatie. Vraag is of een opdrachtgever, nu en op termijn, wel kan opereren als gelijkwaardige partner in een dergelijk samenwerkingsverband. Het COT schetst hiermee geen al te positief beeld, maar doet dit wel op basis van ervaring. Het COT kan een bijdrage leveren in de zoektocht naar budgetzekerheid en een gegarandeerde kwaliteit door het onafhankelijk beoordelen van onderhoudssituaties, begrotingen en/of de kwaliteit van geleverde werkzaamheden.

“Vertrouwen en transparantie zijn vast goed, controle is beter!”

Vastgoed onderhoud2021-05-27T16:05:42+02:00

Hechting van verf

Het meten van de hechting van verf op een ondergrond kan aan de hand van diverse normeringen worden uitgevoerd. Het resultaat zou een helder en reproduceer antwoord moeten geven op de vraag of een verfsysteem wel of niet voldoende hecht aan een ondergrond. Dit blijkt echter niet eenvoudig. De diverse genormeerde testmethoden leveren nogal wisselende en niet te vergelijken resultaten op en laten ruimte voor eigen interpretaties.

De bekende ruitjes- snij- proef (ISO 2409), geschikt voor de meeste ondergronden tot een verflaagdikte van 250 micrometer, is inmiddels vervallen tot een methode die eigenlijk weinig duidelijkheid biedt. Na het insnijden van het raster kan het onthechtingspatroon volgens de actuele versie van de norm worden beoordeeld door middel van verschillende keren vegen met een zacht borsteltje (hoe- en hoeveel keer vegen en hoe zacht?), eventueel met tape (kleefkracht nader overeen te komen) of door middel van luchtdruk (hard of zacht blazen?). Hoe hiermee een duidelijk en een eenduidig resultaat kan worden geproduceerd is niet bekend. We houden ons maar vast aan het aloude tape met een kleefkracht van 6 tot 10 N/mm², er vanuit gaande dat dit het tape is met de meest correcte kleefkracht. Deze gestelde onder- en bovengrens maken bijvoorbeeld prestatie-eisen en contracten, waarbij de hechtingsklassen van aangebrachte verven minutieus zijn omschreven en gekwantificeerd, erg dubieus. Afwijkingen waren er al, want zowel een “zwakke” tape (6 N/mm²) als ook een “sterke” tape (10 N/mm²) waren geschikt voor deze hechtingsnorm. Procentueel een verschil van 40%! Een dergelijk verschil zou in theorie een aanzienlijke speling van hechtingsklassen mogelijk maken. Prestatie-eisen met betrekking tot de hechting van verf waren al discutabel, maar zijn na het actualiseren van de genormeerde ruitjes – snij – proef nog vager geworden.

Hoewel de hechtingsmethode volgens SKH-Publicatie 05-01 (dubbel andreaskruis) toch echt alleen bedoeld is voor het bepalen van de hechting van verf op hout en houtachtige materialen die licht mechanisch belastbaar zijn (welke houtachtige materialen zijn dat?), wordt deze methode te pas en onpas ook gebruikt voor verf op staal en steenachtige ondergronden. De methode is op hout goed bruikbaar, alleen het testen van het tape levert in de praktijk de nodige vragen op. De kleefkracht dient 4 tot 6 N/mm² te bedragen bij een breedte van 25 mm. De beoordeling van deze specifieke kleefkracht volgens de beschreven methode, met een touwtje en een gewicht, is lastig en levert op verschillende ondergronden nogal wisselende resultaten op. Tape wat qua testresultaten voldoet op een geschilderde ondergrond blijkt echter niet altijd geschikt voor een andere geschilderde ondergrond.

Dan is er nog de methode ASTM 3359 die alleen geschikt is voor coatings op metalen ondergronden. Deze norm maakt, afhankelijk van de laagdikte en locatie (laboratorium of praktijksituaties) onderscheid in een tweetal methoden A en B. De insnijding in de coating is met methode B gelijk aan de ruitjes- snij – proef ISO 2409 maar de resultaten worden echter in een omgekeerde volgorde gekwalificeerd (kunt u het nog volgen?). Methode A is een insnijding in de vorm van een enkelvoudig andreaskruis. De kleefkracht van de toe te passen tape is niet gedefinieerd en dient vooraf te worden overeengekomen.

Tenslotte kan de hechting van verf ook aan de hand van een pull-off test worden uitgevoerd. Er zijn diverse genormeerde uitvoeringen maar die komen er alle op neer dat er een aluminium of stalen cilinder – een zogeheten dolly – op de ondergrond wordt geplakt. Na voldoende droging wordt de dolly met behulp een meetinstrument losgetrokken van de ondergrond en wordt de trekkracht gemeten (N/mm²) en het breukvlak bepaald. De dolly’s zijn er in verschillende maten, verder worden ze soms vooraf voorgeboord, soms helemaal niet of soms achteraf.

Om het nog ingewikkelder te maken is er geen relatie aan te geven tussen hechtingsresultaten gemeten aan de hand van een pull-off test en resultaten met behulp van een tapetest op eenzelfde ondergrond. Een beoordeling met tape (welke test dan ook) kan/zal door het meten van de afpelkracht een totaal ander beeld opleveren dan het meten van de trekkracht met behulp van een pull-off test. Dit kan worden vergeleken met een sticker. Een sticker rechtstandig van een ondergrond aftrekken kost veel kracht. Een sticker daarentegen zijwaarts van een ondergrond aftrekken kost veel minder kracht.

Meetmethoden genoeg, maar onvoldoende houvast met betrekking tot de vraag of een verfsysteem wel of niet voldoende vastzit aan de ondergrond.

Hechting van verf2021-05-27T16:05:43+02:00

Badkamer in één dag

In september 2016 heeft Woningcorporatie Mitros de internationale “badkamer in één dag -challenge” gelanceerd. In een wereldwijde expeditie is gezocht naar een doorbraak in renovaties. De doelstelling is renovaties sneller, beter en goedkoper te maken. Eén van de meest ingrijpende onderdelen van een renovatie in bewoonde toestand is de badkamer. Uit 32 inzendingen uit binnen- en buitenland zijn uiteindelijk een tweetal finalisten gekozen. Beide finalisten hebben in juni 2017 hun inzending in de praktijk gebracht.

Het COT is door Mitros gevraagd om de uitvoering van deze pilotprojecten badkamer in één dag te monitoren en te beoordelen. De uitdaging voor de finalisten bestond uit het slopen van het bestaande sanitair, het aanbrengen van geprefabriceerde onderdelen en natuurlijk het “opleveren” binnen een dag. Het bewijs dat het kan, is geleverd. De doordachte ontwerpen en werkwijzen zijn opmerkelijk te noemen. Beide finalisten zien naar aanleiding van de pilotprojecten echter nog verbeterpunten. Uiteindelijk zullen definitieve uitvoeringen nog worden getest in bewoonde situaties. Aan het COT is de vraag gesteld om de  uiteindelijke ontwerpen aanvullend te testen op onder andere duurzaamheid en kwaliteit. Hoe die testen er precies uit zullen gaan zien en welke (combinaties van) materialen zal nog worden vastgesteld. Het uiteindelijke resultaat hangt ook samen met nog uit te voeren aanpassingen en verbeteringen.

Voor meer informatie kunt u ook de site van Mitros bezoeken via deze link: Badkamer Challenge Mitros

Badkamer in één dag2021-05-27T16:05:43+02:00

Onderzoek gevelbekleding

Onderzoek gevelbekleding: Voor een projectontwikkelaar van een nieuwbouwcomplex doet het COT een onderzoek naar gevelbekleding. De cement gebonden gevelbekleding is toegepast bij eengezinswoningen. Omdat de gevelbekleding alleen leverbaar was in standaard RAL kleuren en een aantal NCS kleuren, is er een verfsysteem in een andere kleurstelling aangebracht op de onbehandelde gevelbekleding. Door de betrokken verffabrikant is een technisch advies gemaakt, waarin is opgegeven dat er een acrylaat verfsysteem moet worden aangebracht. De laagdikte van het verfsysteem moet aan de binnenkant van de beplating minimaal 80 micrometer en aan de buitenkant 150 micrometer bedragen. Ongeveer 20 weken na het aanbrengen van de beplating op de woningen, is er een witte verkleuring geconstateerd en na de vorstperiode in hetzelfde jaar is er blaasvorming in het verfsysteem waargenomen.

Oriënterend onderzoek in het werk

De in verschillende kleuren afgewerkte gevelbeplating is zowel horizontaal (gepotdekseld) als verticaal aangebracht, met RVS schroeven en kunststof volgringen. Tijdens de inspectie is vastgesteld dat de beplating op de woningen voldoende geventileerd is aangebracht. Op veel beplatingdelen komt in meer en mindere mate een witte waas en blaasvorming voor en plaatselijk is er onthechting opgetreden. Het breukvlak ligt tussen de verschillende lagen en tot de ondergrond. De kopse kanten zijn plaatselijk poreus van uiterlijk en het verfsysteem op deze plaatsen is niet gesloten aangebracht. Met behulp van een oriënterende vochtmeter zijn verhoogde en hoge vochtgehaltes vastgesteld in de ondergrond. Op de gedeeltes waar onthechting is opgetreden, is met behulp van pH papier vastgesteld, dat de beplating sterk alkalisch (pH waarde 12) is. Voor nader laboratorium onderzoek zijn er verfschilfers verzameld en zijn er beplatingsdelen meegenomen van een nog niet gemonteerde partij, die in een container is opgeslagen.

Laboratoriumonderzoek

Door middel van infrarood spectrometrie is op het laboratorium van het COT bepaald dat het spectrum van de primer en de dekverf overeenkomt met een acrylaat. Door middel van microscopisch onderzoek is vastgesteld dat de laagdikte aan de achter- en voorzijde van de panelen, aanmerkelijk minder is dan door de verffabrikant is voorgeschreven. Aan de achterkant zijn laagdiktes gemeten van 14 tot 35 micrometer en aan de voorkant van 39 tot 85 micrometer. Tevens is van de beplatingdelen die zijn meegenomen uit het werk, de bestandheid tegen vocht bij 22 ºC en vorst bij – 10 ºC bepaald. Tijdens deze test is vastgesteld dat het vochtgehalte in de beplating in sterke mate toeneemt en dat er blaasvorming in het verfsysteem en een witte verkleuring is opgetreden onder deze omstandigheden.

Bespreking van de resultaten en advies

Op basis van het onderzoek in het werk en het laboratoriumonderzoek kan worden gesteld, dat de beplating sterk hygroscopisch is. Door deze eigenschap, in combinatie met de sterke alkaliteit van de beplating en de grote waterdoorlatendheid van het verfsysteem, (onvoldoende laagdikte) zijn de gebreken onder vochtige omstandigheden ontstaan.

Omdat het niet mogelijk is om de achterkanten van de beplating te behandelen is de veilige herstelmethode het vervangen van de beplating door nieuwe onderhoudsarme beplating. Bij het onderhavige geval wordt eerst beoordeeld of  het geheel verwijderen van het verfsysteem met gebreken en het opnieuw afwerken van de kopse kanten en buitenkant van de beplating, met een alkalivast verfsysteem ook kan leiden tot een acceptabel resultaat. Indien voor de laatste bewerking wordt gekozen is het belangrijk dat er proefvlakken worden aangebracht op de gedeeltes met veel gebreken. Na een aantal maanden waarin een vorstperiode is opgenomen, kan dan worden bepaald of deze wijze van herstel een duurzaam resultaat oplevert. Uitgangspunt hierbij is dat de hoge vochtgehaltes in de ondergrond blijvend moeten worden gereconditioneerd tot lagere waarden en dat er geen gebreken meer mogen ontstaan.

Onderzoek gevelbekleding2021-05-27T16:05:44+02:00

Onderzoek naar oorzaak verfschade

Voor een ontwikkelaar van een groot vakantiepark in Nederland, heeft het COT een expertise onderzoek uigevoerd, naar de gebreken die opgetreden zijn in en op de voordeuren van vakantiewoningen. Deze deuren zijn samengesteld uit multiplex met een planken profilering. Er is delaminatie (scheurvorming) in de ondergrond van veel voordeuren opgetreden en rond deze gebreken bladdert het verfsysteem af. De deuren zijn ongeveer 4 jaar geleden geplaatst en het verwijt van de fabrikant/leverancier van de deuren was dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Een aantal voordeuren zijn ongeveer een half jaar geleden hersteld, maar de gebreken zijn inmiddels weer teruggekomen. Tijdens het onderzoek in het werk is vastgesteld dat de randen van de plankenprofilering scherpe kanten vertonen en dat de toplaag van het fineer rond de scheurvorming plaatselijk is onthecht. Er is echter geen achterstallig onderhoud van het verfsysteem geconstateerd. De hechting van het verfsysteem is goed en er is geen opmerkelijk glansverlies of afpoederen van het verfsysteem geconstateerd. De gebreken in het verfsysteem zijn vooral op scherpe randen en rond scheurvorming opgetreden. Tijdens het onderzoek zijn er monsters getrokken voor nader laboratoriumonderzoek naar de laagdikte van het verfsysteem en de kwaliteit van de verlijming van het triplex. In het laboratorium van het COT is vastgesteld dat de droge verflaagdikte op het vlakke gedeelte van de deur overeenkomt met de laagdikte van het verfsysteem die is opgeven in het bestek. Alleen op de scherpe randen is aanmerkelijk minder laagdikte aanwezig. Zonder dat de kwaliteit van de verlijming van het triplex is onderzocht kan al worden gesteld dat de gebreken die zijn geconstateerd niet worden veroorzaakt door achterstallig onderhoud. De gebreken zijn ontstaan door een onvoldoende kwaliteit van de verlijming in combinatie met de detaillering (scherpe randen) van de voordeuren. In overleg met de opdrachtgever is daarom besloten om geen verder laboratoriumonderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van de verlijming.

Onderzoek naar oorzaak verfschade2016-10-18T11:59:55+02:00

Witnessing spuitapplicatie

Er worden steeds hogere eisen gesteld aan coatings (bijvoorbeeld in de olie en gas industrie). Om te kunnen voldoen aan het gevraagde kwaliteitsniveau is ook de kwaliteit van de applicatie van steeds groter belang geworden. Voorschriften en eisen voor de applicatie worden omschreven in normen zoals Norsok M501, ISO 20340, IMO en Shell DEP. Deze normen dienen nauwlettend opgevolgd te worden door het applicatiebedrijf. Dit vraagt een behoorlijke kennis van het applicatiebedrijf maar ook van de individuele applicateur (spuiter). Om te beoordelen of de voorgeschreven normen worden opgevolgd dient de wijze van applicatie en de applicatie omstandigheden door een onafhankelijke partij (NACE of Frosio gecertificeerde inspecteur) te worden gecontroleerd en te worden vastgelegd in een rapport. Tijdens deze inspecties worden onder andere de reinheid en ruwheid van het gestraalde oppervlak en de natte en droge laagdiktes van de afzonderlijke coatinglagen gemeten. Voorafgaand aan de daadwerkelijke applicatie dienen zogeheten testplaten te worden gespoten, waarop na voldoende droging hechtingstesten worden uitgevoerd. Indien de testpanelen voldoen aan de specificaties dan kan de individuele applicateur voor het betreffende coatingsysteem gecertificeerd worden. Het COT voert regelmatig dergelijke inspecties uit bij bedrijven.

Witnessing spuitapplicatie2021-05-27T16:05:44+02:00

Autoclaaf testen

De laatste jaren neemt de vraag naar verftesten onder hoge druk en temperatuur in combinatie met corrosieve gassen toe. In diverse normen en specificaties, zoals bijvoorbeeld ISO 15741, EN 10289,EN 10290, ARAMCO 09-SAMSS-067 APCS 27, NACE TM0185 of diverse Shell DEP’s worden meetresultaten van autoclaaftesten geëist.

Het laboratorium maakt gebruik van autoclaven welke toegepast worden tot maximaal 410 bar en maximaal 350 graden Celsius. Daarbij kunnen gassen als bijvoorbeeld CO2, H2S, CH4 en SO2 in gewenste concentraties worden toegevoegd en allerlei testvloeistoffen worden ingebracht. De duur van testen varieert van 24 uur tot een maand of langer.

Autoclaaf testen2021-05-27T16:05:45+02:00
Ga naar de bovenkant