Het meten van de hechting van verf op een ondergrond kan aan de hand van diverse normeringen worden uitgevoerd. Het resultaat zou een helder en reproduceer antwoord moeten geven op de vraag of een verfsysteem wel of niet voldoende hecht aan een ondergrond. Dit blijkt echter niet eenvoudig. De diverse genormeerde testmethoden leveren nogal wisselende en niet te vergelijken resultaten op en laten ruimte voor eigen interpretaties.

De bekende ruitjes- snij- proef (ISO 2409), geschikt voor de meeste ondergronden tot een verflaagdikte van 250 micrometer, is inmiddels vervallen tot een methode die eigenlijk weinig duidelijkheid biedt. Na het insnijden van het raster kan het onthechtingspatroon volgens de actuele versie van de norm worden beoordeeld door middel van verschillende keren vegen met een zacht borsteltje (hoe- en hoeveel keer vegen en hoe zacht?), eventueel met tape (kleefkracht nader overeen te komen) of door middel van luchtdruk (hard of zacht blazen?). Hoe hiermee een duidelijk en een eenduidig resultaat kan worden geproduceerd is niet bekend. We houden ons maar vast aan het aloude tape met een kleefkracht van 6 tot 10 N/mm², er vanuit gaande dat dit het tape is met de meest correcte kleefkracht. Deze gestelde onder- en bovengrens maken bijvoorbeeld prestatie-eisen en contracten, waarbij de hechtingsklassen van aangebrachte verven minutieus zijn omschreven en gekwantificeerd, erg dubieus. Afwijkingen waren er al, want zowel een “zwakke” tape (6 N/mm²) als ook een “sterke” tape (10 N/mm²) waren geschikt voor deze hechtingsnorm. Procentueel een verschil van 40%! Een dergelijk verschil zou in theorie een aanzienlijke speling van hechtingsklassen mogelijk maken. Prestatie-eisen met betrekking tot de hechting van verf waren al discutabel, maar zijn na het actualiseren van de genormeerde ruitjes – snij – proef nog vager geworden.

Hoewel de hechtingsmethode volgens SKH-Publicatie 05-01 (dubbel andreaskruis) toch echt alleen bedoeld is voor het bepalen van de hechting van verf op hout en houtachtige materialen die licht mechanisch belastbaar zijn (welke houtachtige materialen zijn dat?), wordt deze methode te pas en onpas ook gebruikt voor verf op staal en steenachtige ondergronden. De methode is op hout goed bruikbaar, alleen het testen van het tape levert in de praktijk de nodige vragen op. De kleefkracht dient 4 tot 6 N/mm² te bedragen bij een breedte van 25 mm. De beoordeling van deze specifieke kleefkracht volgens de beschreven methode, met een touwtje en een gewicht, is lastig en levert op verschillende ondergronden nogal wisselende resultaten op. Tape wat qua testresultaten voldoet op een geschilderde ondergrond blijkt echter niet altijd geschikt voor een andere geschilderde ondergrond.

Dan is er nog de methode ASTM 3359 die alleen geschikt is voor coatings op metalen ondergronden. Deze norm maakt, afhankelijk van de laagdikte en locatie (laboratorium of praktijksituaties) onderscheid in een tweetal methoden A en B. De insnijding in de coating is met methode B gelijk aan de ruitjes- snij – proef ISO 2409 maar de resultaten worden echter in een omgekeerde volgorde gekwalificeerd (kunt u het nog volgen?). Methode A is een insnijding in de vorm van een enkelvoudig andreaskruis. De kleefkracht van de toe te passen tape is niet gedefinieerd en dient vooraf te worden overeengekomen.

Tenslotte kan de hechting van verf ook aan de hand van een pull-off test worden uitgevoerd. Er zijn diverse genormeerde uitvoeringen maar die komen er alle op neer dat er een aluminium of stalen cilinder – een zogeheten dolly – op de ondergrond wordt geplakt. Na voldoende droging wordt de dolly met behulp een meetinstrument losgetrokken van de ondergrond en wordt de trekkracht gemeten (N/mm²) en het breukvlak bepaald. De dolly’s zijn er in verschillende maten, verder worden ze soms vooraf voorgeboord, soms helemaal niet of soms achteraf.

Om het nog ingewikkelder te maken is er geen relatie aan te geven tussen hechtingsresultaten gemeten aan de hand van een pull-off test en resultaten met behulp van een tapetest op eenzelfde ondergrond. Een beoordeling met tape (welke test dan ook) kan/zal door het meten van de afpelkracht een totaal ander beeld opleveren dan het meten van de trekkracht met behulp van een pull-off test. Dit kan worden vergeleken met een sticker. Een sticker rechtstandig van een ondergrond aftrekken kost veel kracht. Een sticker daarentegen zijwaarts van een ondergrond aftrekken kost veel minder kracht.

Meetmethoden genoeg, maar onvoldoende houvast met betrekking tot de vraag of een verfsysteem wel of niet voldoende vastzit aan de ondergrond.